Amsterdamned ll…Nee

Soms heb je maar één zin nodig.
“Ik was blij dat het niets kostte.”
Amsterdamned II kijkt weg als een zak pinda’s: je eet ’m op, maar vraagt je halverwege af waarom.
Laat ik netjes beginnen.
 
Huub Stapel en Tatum Dagelet doen hun werk. Prima. Vakmensen. En laten we ook Holly Mae Brood niet vergeten.
Charmant, absoluut. Aanwezig, zeker.
Maar ook hier: het script geeft haar simpelweg niets om op te bouwen. Het blijft hangen in mooi in beeld zijn, zonder dat het echt iets toevoegt.
Maar ze staan in een film die het simpelweg niet redt.
Het verhaal is flinterdun.
De dader zie je van mijlenver aankomen.
Spanning? Nauwelijks.
 
En ja… die scène met die brandende etalagepoppen op een waterfiets.
Dat is geen thriller, dat is onbedoelde komedie.
De rest zakt er nog verder doorheen.
Met als dieptepunt die persfotograaf. Zo gemaakt, zo houterig dat je meteen uit de film valt.
 
En dan de reclame. Productplacement.
Niet subtiel. Niet slim. Gewoon erin geduwd.
De Telegraaf ligt pontificaal in beeld.
Heineken krijgt meer aandacht dan het verhaal.
Je ziet SPAR (met het oog op de release in andere Europese landen), Douwe Egberts en Mastercard alsof je door een folder bladert.
En het stopt niet.
Lenovo ThinkPad, Yamaha, Diks Autoverhuur, Arena Sportswear, AT5…
het zit er allemaal in.
 
Zelfs de stad wordt een etalage.
Artis, het Rijksmuseum, Camping Zeeburg…
mooie plekken, maar hier vooral decor zonder ziel.
Het voelt alsof je naar een lange commercial zit te kijken met af en toe een stukje film ertussen.
 
Sterker nog: de reclameblokken van Amazon Prime Video zelf waren beter. Serieus.
Een verademing. Even tempo. Even helder. Even iets dat wél weet wat het is.
 
De eerste Amsterdamned had nog rauwheid. Sfeer met inhoud.
Dit is alleen nog maar verpakking.
Open einde erbij… klaar.
 
En dan blijft er één vraag hangen:
Was er gisteravond nog iets slechters te zien dan Nederland – Noorwegen?
Jawel.
 
Ik keek op Amazon Prime Video naar Amsterdamned II.

Rode Loper

Je loopt de Petruskerk in Uden binnen… en vanzelf vertraag je.
Daar ligt hij.
Die rode loper.
 
Als een warme lijn door het midden van de kerk, recht naar voren, recht naar het hart.
Langs de banken die al generaties hebben gedragen.
Langs de stilte die hier anders klinkt dan buiten.
In deze kerk is die loper geen aankleding.
 
Hij is een weg.
 
Bij elke mis wordt hij opnieuw bewandeld.
De priester die opkomt, de misdienaars erachteraan, stappen die niet gehaast zijn maar gedragen.
Alsof de tijd hier even buigt voor wat er gaat gebeuren.
Voor het moment waarop het gewone wordt opgetild,
waar brood en wijn meer worden dan wat ze lijken.
 
En op de grote dagen in Uden…
Kerstmis, als het licht zacht door de ramen valt.
Pasen, wanneer hoop bijna tastbaar wordt.
Dan leeft die loper nog meer.
 
Dan draagt hij de voetstappen van een hele gemeenschap.
Mensen die komen met hun verhalen, hun zorgen, hun dankbaarheid.
Voorin wacht het altaar.
Verhoogd, in het licht, bijna als een ankerpunt in de ruimte.
Geen afstand, maar richting.
En de kaarsen…
die branden zoals ze hier al zo vaak hebben gebrand.
Stil, trouw, zonder opsmuk.
 
Als kleine bakens van hoop in een wereld die vaak te snel draait.
Misschien is dat wat de Petruskerk zo bijzonder maakt.
Dat alles hier nog klopt.
Dat een rode loper geen tapijt is, maar een pad.
Dat een kerk geen gebouw is, maar een plek waar het leven even stil mag staan.
 
En als je daar dan loopt…
over dat rood, naar het licht…
dan voel je het.
Dit is Uden.
En dit is van ons allemaal.

V&D de winkel die voor Uden te laat kwam

 
Soms begint een verhaal niet bij een opening, maar veel eerder, ergens in de tijd dat Uden langzaam groeide en het gevoel kreeg dat het meer wilde zijn dan een dorp alleen. In de jaren zeventig leefde al de wens voor een echt warenhuis, zo’n plek waar je niet alleen iets ging kopen, maar waar je gewoon naartoe ging om te kijken, rond te lopen en even onderdeel te zijn van de drukte.
V&D kwam niet naar Uden maar ging naar Oss. Uden moest het doen met de Vendet, aan de Margrietstraat net buiten het centrum. Het was een winkel waar je kwam, waar herinneringen liggen, maar het bleef het kleinere broertje, je had iets, maar niet het echte waar je eigenlijk op hoopte.
 
Dat gevoel bleef hangen, ook toen het centrum zich langzaam ontwikkelde en plannen kwamen en gingen. Totdat met de komst van Centrum-West en de Hoek Promenade ineens alles in beweging kwam en V&D alsnog naar Uden zou komen. Dat was geen klein nieuws, dat was groot, want daarmee kreeg Uden eindelijk dat warenhuis waar al zo lang over werd gesproken.
Toen de deuren in 2015 opengingen, voelde het alsof het eindelijk klopte. Je liep naar binnen en zag meteen dat dit anders was, groter, lichter, ruimer. Boven kon je zitten bij La Place met een kop koffie, terwijl je uitkeek over het centrum, met dat mooie zicht op de Petruskerk, en voor het eerst had Uden roltrappen in zo’n grote winkel. Het had iets vanzelfsprekends, alsof het er altijd al had moeten zijn.
 
Maar onder dat alles zat een werkelijkheid die al lang bekend was. Terwijl de bouw van het hele complex nog bezig was, waren de problemen bij V&D al zichtbaar. Het concern wankelde, de cijfers stonden onder druk en de toekomst was allesbehalve zeker. En toch werd er doorgebouwd, werd de winkel ingericht en werd de opening voorbereid alsof er niets aan de hand was.
Daardoor kreeg Uden uiteindelijk iets wat eigenlijk al geen toekomst meer had. Wat als een begin voelde, was in werkelijkheid een laatste hoofdstuk dat al geschreven was voordat de eerste klant binnenkwam.
 
Nog geen jaar later gingen de deuren weer dicht en bleef er een vreemd gevoel achter. Niet omdat Uden het niet wilde of omdat het niet werkte, maar omdat het nooit echt de kans heeft gekregen.
De conclusie is dan ook niet dat het kort voelde of lang, maar dat het vanaf het begin al een verhaal was waarvan het einde vaststond. Een winkel die werd gebouwd terwijl het fundament eronder al scheurde.
 
En dat maakt het misschien wel zo bijzonder en tegelijk zo wrang, dat Uden veertig jaar heeft gewacht op iets wat op het moment dat het kwam, eigenlijk al voorbij was.

Shure SM7B

Een bureau, twee schermen, de golf van geluid die rustig voorbij rolt in Audition… en daar hangt-ie dan, vertrouwd als vroeger: de Shure SM7B. Zo’n microfoon waar je niet tegen praat, maar waar je mee samenwerkt. Die je dwingt om rustig te ademen, netjes te articuleren… en die je vervolgens beloont met een warm, eerlijk geluid.
 
Het bracht me even terug naar Oss. Raadhuislaan. Maasland FM/Dtv Oss in de jaren 90. Dáár maakte ik voor het eerst kennis met Shure… toen nog gewoon de Shure SM7. De basis, het begin. Andere tijden, andere techniek, maar dezelfde liefde voor het vak. En ergens is het mooi dat die lijn nooit echt is verdwenen.
 
En het mooie is… je blijft sleutelen. Een beetje EQ hier, een tikje compressie daar… en ineens komt een stem tot leven. Alsof je een foto ontwikkelt in een donkere kamer. Geduld, gevoel, en weten wanneer je moet stoppen.

De kaalslag van de zomerzondag op de ARD

Foto ARD/SWR
 
Er zijn van die momenten waarop je niet meteen boos wordt, maar stil. Omdat je voelt dat er iets verdwijnt wat groter is dan het besluit zelf. Het stoppen van Immer wieder sonntags is zo’n moment. Dit is geen programma dat verdwijnt, dit is een traditie die wordt losgelaten.
 
De zomerzondag op de ARD had een ritme. Een eigen adem. Het was geen televisie die zich opdrong, maar televisie die er gewoon was. Met muziek die niet hoefde te schreeuwen om gehoord te worden, met artiesten die niet perfect hoefden te zijn om te raken.
En precies dat wordt nu weggehaald. De volkstümliche muziek en de volksmuziek verliezen hiermee hun laatste grote, publieke podium op een moment dat ertoe deed. Niet diep in de nacht, niet ergens verstopt, maar midden op de dag. Zichtbaar. Toegankelijk. Menselijk.
 
Voor de grote namen verandert er weinig, die blijven wel draaien in de grote shows en op de grote podia. Maar juist die groep daaronder, de artiesten die groeien, die bouwen, die nog afhankelijk zijn van zichtbaarheid, die worden geraakt. Die verliezen hun plek. Hun kans. Hun bühne in het Europa-Park, waar het publiek nog echt kon ontdekken.
En ja, er zijn nog de megashows. De strak geregisseerde avonden van Die Feste mit Florian Silbereisen of bij het ZDF met de Giovanni Zarrella Shows. Groot, indrukwekkend, technisch perfect. Maar het zijn andere werelden. Werelden waarin alles klopt, maar waarin weinig meer gebeurt dat niet al bedacht is.
 
Daar kan niets tegenop wat op een zondagochtend ontstaat. Die kleine optredens, die losse momenten, die sfeer die niet door Eventim of een platenmaatschappij is dichtgeregeld. Dat is geen productie, dat is leven.
 
Stefan Mross, met zijn Beierse tongval, zonder franje, zonder gemaakte perfectie. Een man die daar gewoon was. Die met zijn camper dagenlang in Rust verbleef, tussen de mensen, tussen de techniek, en daar ook nog radio maakte. Die de zondag niet speelde, maar beleefde. Dat voel je. Dat hoor je. Dat kun je niet namaken.
 
En ja, dat was ook die zondag waarop je thuis, gewoon hier, even mocht meedoen. Een beetje Frühschoppen aan de buis, een pilsje, een Weizen, misschien een Schnaps. Niet uit gewoonte, maar uit gevoel. Omdat het paste bij dat moment van rust, van even niks moeten.
 
En dan begint het straks nog één keer. Op zondag 31 mei 2026. Nog één seizoen, nog één reeks zondagen waarop alles samenkomt zoals het altijd was. Maar met de wetenschap die als een schaduw over elke uitzending hangt: dit is de laatste. Elk applaus klinkt net iets langer, elk liedje net iets zwaarder, omdat je voelt dat het niet meer vanzelfsprekend is.
Dat soort zondagen worden nu ingeruild voor iets anders. Iets moderners, iets strakkers, iets dat beter in schema’s past. Maar ook iets dat verder afstaat van de mens.
 
We leven in een tijd waarin alles wordt teruggebracht tot cijfers, doelgroepen, algoritmes, spanningsbogen en strategie. Maar wat hier verdwijnt, laat zich niet meten. Het is de ziel van een zondag. De rust. De herkenning. De plek waar muziek nog gewoon muziek mocht zijn. Bezuinigingen…tja. De kaalslag van de zomerzondag op de ARD is daarmee geen kwestie van programmering, maar een teken van de tijd. Een tijd die steeds minder ruimte laat voor het ongepolijste, het rustige, het echte.
En juist dat gaan we missen. Niet morgen misschien. Maar straks, als het stil wordt op een plek waar het altijd een beetje klonk.

De Sport zonder ziel

 
“La Primavera”. Milaan – San Rema Voor het eerst een prooi voor Tadej Pogacar. Er was een tijd dat wielrennen nog rook naar nat asfalt, zweet en kettingolie. Geen cijfers, geen schermpjes, geen eindeloze grafieken. Gewoon mannen op fietsen die vochten tegen elkaar, tegen de berg, tegen zichzelf. Je zag het lijden, je voelde het in je eigen benen terwijl je thuis op de bank zat.
En ja, ook toen werd er gesjoemeld. Laten we daar niet kinderachtig over doen. Maar zelfs in die schemerzone bleef er iets overeind: de mens. De breekbaarheid. De dag dat iemand een slechte dag had en gewoon loste. Dat hoorde erbij.
 
Nu kijken we naar een andere wielerwereld.
Een wereld waarin alles gemeten wordt, berekend, geoptimaliseerd. Waar de koers niet meer openbreekt, maar wordt uitgereden volgens plan. Waar een renner als Tadej Pogačar ogenschijnlijk boven alles en iedereen uitstijgt. Niet één keer, niet toevallig, maar structureel. En precies daar begint het te wringen.
Want sport hoort niet perfect te zijn. Natuurlijk is het kanp dat Tadej wint na een val vlak voor de Cipressa, Van der Poel kon de gevallen wereldkampioen niet ontwijken en viel ook. Maar was de winst helemaal onverwacht? 
 
Sport hoort te schuren.
Als iemand alles kan, altijd, overal, zonder zichtbare barst, dan verdwijnt het verhaal. Dan blijft er geen strijd over, maar een demonstratie. En demonstraties horen thuis in een laboratorium, niet op de flanken van een berg.
Men zal zeggen: het is de vooruitgang. Data. Wetenschap. Voeding. Training. Allemaal waar. Maar vooruitgang zonder twijfel is geen vooruitgang, dat is vervreemding.
We hebben dit eerder gezien.
Met Lance Armstrong geloofden we ook wat we zagen. Tot het kaartenhuis instortte en bleek dat wat bovenmenselijk leek, simpelweg niet menselijk was.
 
En nu zitten we met de erfenis daarvan.
We geloven niet meer.
Of beter gezegd: we durven niet meer te geloven.
De tragiek is dat de sport dat zelf heeft veroorzaakt. Jaar na jaar, leugen na leugen, tot het vertrouwen zo dun werd als een versleten band op een kasseistrook. En dus haakt de liefhebber af. Niet omdat hij het niet meer mooi vindt, maar omdat hij het niet meer voelt. Omdat hij niet meer weet waar hij naar kijkt. Omdat bewondering plaats heeft gemaakt voor argwaan.
Misschien is dat wel de grootste nederlaag van het moderne wielrennen.
Niet de doping.
Niet de dominantie.
Maar het verlies van geloof.
En zonder geloof… is zelfs de mooiste overwinning leeg.
 

De wereldbrand die niemand meer kan blussen

We blijven zoeken naar een beginpunt. Een datum waarop iemand zei: nu is het een echte wereldoorlog. Maar misschien ligt dat moment al achter ons.
11 september 2001.
Sinds die dag is de wereld niet meer tot rust gekomen. Wat begon als een schok, werd een kettingreactie van conflicten, mislukkingen en nieuwe vijandsbeelden. En terwijl we bleven volhouden dat het geen wereldoorlog was, sloeg het vuur steeds verder om zich heen een uitslaande, allesverterende brand die niemand nog onder controle heeft.
De oorlog in Afghanistan eindigde na twintig jaar in een chaotische aftocht.
De invasie van Irak liet een land achter dat nooit meer stabiel werd.
De strijd tegen IS werd militair gewonnen, maar niet beëindigd: de ideologie verspreidde zich, van het Midden-Oosten tot Afrika en Azië.
 
Het zijn geen losse dossiers meer. Het zijn vlammen die samen één wereldwijde vuurzee vormen.
En daarbovenop het terrorisme.
In Europa, waar aanslagen het gevoel van veiligheid blijvend hebben aangetast.
In de Verenigde Staten, waar het allemaal begon met die ene dag.
In Azië en Afrika, waar terreur soms bijna onderdeel van het dagelijks leven is.
Zelfs in Australië, dat dacht ver weg te zijn van de grote spanningen.
 
Terrorisme is geen randverschijnsel meer. Het is een permanente onderstroom van angst die overal doorheen loopt.
 
Leiders die geschiedenis willen schrijven
Wanneer leiders zichzelf zien als historische figuren, wordt de wereld het toneel waarop hun verhaal moet worden uitgevochten.
Niet voorzichtig.
Niet diplomatiek.
Maar met grote, gevaarlijke bewegingen.
Het gevolg is een wereld die niet wordt bestuurd, maar geduwd richting confrontatie, richting escalatie, richting een toekomst die niemand echt overziet.
 
Europa in de vuurlinie
 
Europa voelt die druk elke dag. Cyberaanvallen die blijven prikken.
Energieprijzen die dansen op het ritme van geopolitiek.
Een economie die kraakt. Samenlevingen die onder spanning staan door migratie, onzekerheid en groeiend wantrouwen. Geweld op straat en aan de oostflank schuift het gevaar dichterbij:
Finland, de Baltische staten, Moldavië, via Wit-Rusland richting Polen. Grenzen die ooit veilig leken, zijn dat niet meer. Rusland wil de oude invloedssfeer herstellen.
 
En boven dit alles hangt de schaduw van kernwapens. Landen die elkaar in een fragiel evenwicht houden.
Een evenwicht dat niemand durft te testen, maar ook niemand echt vertrouwt. Alleen al het bestaan van die wapens maakt elke crisis potentieel catastrofaal.
 
De vraag die niemand wil stellen
De vraag is niet meer wanneer de Derde Wereldoorlog begint.
Die begon al op 11 september 2001.
Misschien leven we al bijna een kwart eeuw in een conflict dat we weigeren zo te noemen. Omdat het geen klassieke oorlog is.
Geen loopgraven, geen frontlinies, geen officiële oorlogsverklaring.
 
Maar een strijd op alle fronten tegelijk:
-Militair.
-Economisch.
-Digitaal.
En via terreur, dat overal opduikt en nergens verdwijnt.
De wereld staat niet in brand.
De wereld ís de brand.
 
En het ongemakkelijke is dit:
we leven er middenin, terwijl we nog steeds doen alsof het iets is dat nog moet beginnen. Omdat we het simpelweg niet willen geloven…
 
(Op de kaart heb ik de oorlogsvoerende landen, de conflictgebieden en de dreigingen ingetekend…hoezo geen wereldconflict? )
Wellicht geen leuke post voor een zaterdag maar wel de realiteit van het voorjaar 2026.

Te grote schoenen en een veel te groot pak

Een omroep uit Meierijstad die het debat in Maashorst denkt te leiden

Ruud Coolen van Brakel en Patrick Huisman

foto AI Google Gemini

Soms kijk je naar een politiek debat en vraag je je af: waar gaat dit eigenlijk nog over? Over Maashorst? Over de toekomst van Uden en de dorpen? Of over de ego’s van de gespreksleiders die denken dat zij het middelpunt van de avond zijn? Het lijsttrekkersdebat in De Pul in Uden had een serieuze avond moeten zijn. Een moment waarop de kiezer rustig kon horen wat partijen willen met woningbouw, veiligheid, opvang en de toekomst van een jonge fusiegemeente.

Maar wat we zagen was iets anders.

Ruud Coolen van Brakel en Patrick Huisman leken minder geïnteresseerd in het debat zelf dan in hun eigen rol daarin. Van Brakel met weinig kennis van de regio en Huisman had niet alleen de spreekwoordelijke ’te grote’ schoenen maar een veel te groot pak aan en dat paste helemaal niet, hij maakte er bij vlagen een persoonlijke voorstelling van.

Het verschil in behandeling tussen partijen was namelijk pijnlijk zichtbaar. BBB, SP, Lokaal Maashorst, FvD en zelfs de Gewoon-VVD werden met regelmaat onderbroken, scherp weggezet of op een toon aangesproken die weinig met journalistieke neutraliteit te maken had. Tegelijkertijd kreeg de zittende coalitie alle ruimte om hun verhaal te doen. En ook de linkse combinatie van PvdA, D66, GroenLinks en PRO kon opvallend comfortabel spreken zonder dat er voortdurend doorheen werd gehakt.

Dat is geen journalistieke scherpte. Dat is selectief streng zijn.

Het absolute dieptepunt was de manier waarop Christa van de Langenberg (Lokaalmaashorst) door Patrick Huisman werd benaderd. Dat had weinig met kritisch interviewen te maken en veel met iets wat in Brabant gewoon laf en laaghartig heet.Je mag een politicus stevig bevragen. Graag zelfs. Maar iemand zichtbaar kleiner maken en op de man of in dit geval op de vrouw te spelen omdat je hem of haar politiek niet ligt, dat is geen journalistiek. Dat is persoonlijke irritatie vermomd als debatleiding.

Elke journalist leert één simpele regel: als je iemand niet mag, zorg dat niemand het merkt. Die professionaliteit ontbrak hier volledig. Vooral bij Patrick Huisman

Wat het nog wranger maakt, is het volgende.

Deze omroep heeft een lokale vergunning voor Uden / Maashorst. Dat is de reden dat er subsidie en publieke middelen richting deze club gaan. Maar de praktijk is dat de organisatie grotendeels vanuit Veghel opereert. En daar zit precies de rare spanning.

Een omroep die haar wortels buiten de gemeente heeft liggen, die met gemeenschapsgeld een debat organiseert, en vervolgens tijdens dat debat zichtbaar moeite heeft om neutraal te blijven tegenover een deel van de politieke partijen.

Dan mag je als kijker best een simpele vraag stellen: waar betalen we dit eigenlijk voor? Voor een eerlijk debat?

Of voor een avond waar de gespreksleiders denken dat zij de hoofdrol spelen? Een debatleider hoort onzichtbaar te zijn. Een scheidsrechter die het spel laat spelen door de politici. Niet iemand die zelf meedoet aan de wedstrijd. Als dat verschil niet meer wordt begrepen, dan blijft er uiteindelijk maar één conclusie over. Deze twee hadden beter in hun eigen verzonnen schuilkelder kunnen blijven zitten met hun flesje water en een noodpakket.

Dit was een debat van een lokaal omroepje dat met subsidie een beetje staat te rommelen in de marge terwijl de democratie probeert te spreken.

De Stoomtram

De Kapelstraat/Oude Kerk.

Er zijn foto’s die je niet alleen bekijkt… je stapt er bijna in. Alsof je even een deur opent naar een andere tijd. Deze ingekleurde opname van de Kapelstraat ergens midden jaren dertig is zo’n beeld. Je hoeft je ogen maar een beetje dicht te knijpen en je hoort het bijna: het zachte gesis van stoom, het ritmische tikken van metalen wielen op rails, en ergens in de verte het rustige gerinkel van een fietsbel. Dwars door de Kapelstraat liep toen de stoomtram die Veghel, Uden en Oss met elkaar verbond. Geen onbelangrijke lijn, maar een echte levensader. Niet alleen mensen stapten hier in en uit, ook melk, landbouwproducten, vee, post en goederen voor de winkels reisden met de tram mee. Kijk eens goed naar die rails. Ze liggen er bijna brutaal dicht langs de voordeuren. Alsof de tram dwars door de huiskamers van Uden reed.

Links staan de typische Brabantse burgerhuizen uit de late 19e eeuw. Stevige bakstenen gevels, groene luiken, vaak een winkel of werkplaats aan huis. Misschien zat er in dat pand wel een kruidenier, een café of een kleine handel. In die tijd werkte men letterlijk voor en achter dezelfde voordeur.Op straat heerst een rust die je vandaag bijna niet meer kunt voorstellen. Een eenzame fietser. Misschien een bakker die net zijn ronde heeft gedaan. En daar rijdt een vroege automobiel – waarschijnlijk een Ford, Opel of Chevrolet uit de jaren dertig. In een dorp als Uden waren er toen maar een handvol auto’s. Vaak van de dokter, een notaris, de burgemeester of een welgestelde handelaar. Als zo’n wagen voorbij reed, keek men die nog even na.

De meeste mensen verplaatsten zich simpelweg met de fiets, te voet, met paard en wagen of natuurlijk met de tram. Het leven speelde zich af in een rustig ritme. Overdag werkten boeren op de omliggende velden, ambachtslieden in hun werkplaats en deden vrouwen hun boodschappen bij bakker, slager of kruidenier. In de middag werd er gepraat op straat of in het café. ’s Avonds waren er kerkactiviteiten, fanfare, gilde of een kaartspel aan een houten tafel.

De oude kerk bij het huidige Piusplein was toen al verdwenen uit het straatbeeld, maar de Kapelstraat bleef wat ze altijd geweest is: de ruggengraat van Uden. Hier liep het leven. Hier kwam men elkaar tegen. Hier reed de tram die het dorp verbond met de wereld daarbuiten. In 1939 verdwenen de tram en tijdens de oorlogsjaren werden de rails geruimd. De stoomtram was geschiedenis en het dorp veranderde langzaam van tempo. Maar helemaal weg is hij nooit gegaan. Hij zit nog in de verhalen van opa’s en oma’s.
In vergeelde fotoalbums. En buslijn 157 rijdt nog steeds grotendeels via het oude tracé naar Oss via Nistelrode en Heesch.

En soms, heel even, in zo’n beeld waar het verleden weer tot leven komt. En dan denk ik wel eens: misschien was Uden toen kleiner… maar de verhalen waren groter.

Toen de tram nog zuchtte langs geloof en barmhartigheid. 

Waar geloof, zorg en vooruitgang elkaar kruisten
Er hangt een dunne nevel over de Kerkstraat. De klinkers, kinderkopjes, glanzen nog van de nachtvorst, en de eerste zon zoekt haar weg langs de gevels. Links het woonhuis uit 1880, gebouwd voor een man van aanzien.

Langs de straat, half in beeld, liep ooit het spoor van de stoomtram die van Oss via Uden naar Veghel reed. De bel, het zuchten van de locomotief, het schuren van staal over staal, het was de adem van een streek in beweging. De tram bracht melk, meel, post en mensen. Tot de tijd hem inhaalde: eerst kwam buslijn 57, later 157, en vandaag wordt zelfs die verbinding weer bediscussieerd. De geschiedenis rijdt in rondjes, fluistert men in Uje.

Aan de rechterzijde, achter de rij leilinden, lag het Gasthuis van de Barmhartige Zusters H. Carolus. Zij vestigden zich hier in 1877, gevlucht uit Duitsland voor de Kulturkampf, en begonnen een klein huis voor zieken, armen en ouderen. Daar, tussen gebed en plicht, ontstond de Udense gezondheidszorg. In 1935 groeide het uit tot het Sint-Jansgasthuis, later Huize Sint-Jan. Maar hier, aan deze straat, klopte het eerste hart van de zorg. Niet uit beleid, maar uit barmhartigheid.

Verderop rees het College van het Heilige Kruis. Geen gewone school, maar een groot seminarie van de Kruisheren, waar jongens met een priesterroeping werden gevormd. Ze kregen er een brede gymnasiale opleiding, maar ook lessen in discipline, stilte en zelfbeheersing – voorbereiding op het celibataire kloosterleven. Achter het college stond de Kruisherenkapel, ingetogen en waardig, een toren die niet heerst maar waakt.
De Kerkstraat van toen was een wereld op zichzelf: zorg, geloof, kennis en vooruitgang binnen één straatbeeld. En tussen die werelden liep de tram, smal, glanzend, tijdelijk.

Wie er nu loopt, hoort geen bel meer rinkelen, geen koor meer zingen. Maar als de wind goed staat, lijkt het even alsof ergens achter de muren nog iets nadreunt: het zachte geratel van een wagon, het gefluister van een gebed, en de echo van een dorp dat ooit geloofde dat toewijding geen keuze was, maar een richting.
Echt Uden. Toen de tram nog zuchtte langs geloof en barmhartigheid.