De kerstversiering op stelling nul.

Zondagochtend bij IKEA Son, overleven tussen de aapjes: een praktijkproef in prikkelverwerking, groepsdynamiek en Zweedse wanhoop.

Wie op zondag naar IKEA gaat, zoekt geen meubels. Die test zijn zenuwstelsel.
Een veldverslag uit het hart van de menselijke chaos waar flatpacks, friet en frustratie samensmelten tot één Zweedse nachtmerrie.

Na maanden stilte besloot ik het weer te proberen: de mensheid.
Met mijn ADHD-hoofd vol goede moed, maar niet zonder voorzorgsmaatregel twee Valdisperts als morele verzekering tegen de chaos. IKEA leek me een goed begin. Of het eind.

Half elf. Drie parkeerdekken vol.
Alsof heel Brabant collectief had besloten dat vandaag het moment was om geluk te kopen in platte dozen. Hemnes, Björk, Kallax — namen die klinken als antidepressiva met bijwerkingen. En ik stond ertussen. Niet uit vrije wil, maar omdat “we even wat nodig hadden.”

Eén lift buiten gebruik. Natuurlijk.
Dus perste iedereen zich in de twee overgebleven liften om naar boven of beneden te komen – alsof we deel uitmaakten van het welbekende blikje sardines, maar dan in een Zweeds blik.
Ik vond nog net een winkelwagen: piepend, scheef en met de levenslust van iemand die er zelf liever niet was.

Voor de ingang van de route lag Småland. Het kinderverblijf waar je je kroost kunt inleveren alsof het bagage is. Een ballenbak, wat klimrekken en een paar vermoeide medewerkers die de illusie van toezicht hooghouden. Ouders schuiven hun kinderen er met een glimlach naar binnen, alsof ze zeggen: “Succes ermee, wij gaan meubels kopen.” Het is de enige plek in de winkel waar kinderen wél welkom zijn, maar vooral omdat ze daar niemand in de weg lopen.

De route. IKEA’s geniale psychologische test. Gele pijlen als morele leiband. Niemand durft er vanaf te wijken. Iedereen schuifelt braaf achter elkaar aan, alsof we in therapie zijn voor collectieve besluiteloosheid.

Bij de eerste bocht kwam een jong stel met buggy, op ramkoers. De baby krijste, moeder krijste harder, vader keek alsof hij spijt had van alles sinds 2019. De buggy ramde mijn kar. Geen “sorry”. In IKEA gelden geen fatsoensnormen, alleen overlevingsinstinct.

Binnen rook het naar stress, parfum en goedkope hotdogs. En overal, werkelijk overal, zaten stoffen aapjes. Aan lampen, op bedden, in manden. Ze moesten verkocht worden, dat voelde je. De aap was het nieuwe rendier; een soort pluizige metafoor voor de moderne mens: te lief om weg te gooien, te nutteloos om te houden.

Om me heen klonk een kakofonie van talen: Duits, Pools, Frans, Arabisch, Brabants, Limburgs en Turks — alles door elkaar. Alleen geen Zweeds. Die taal staat op dozen met vaak, ook in het Nederlands, onbegrijpelijke montage-instructies.

Mijn kar was op dat moment nog een toonbeeld van bescheidenheid: twee koffiemokken en een pak servetten meer niet. Symbolisch, bijna.
“Wacht hier, ik wil dat even zien,” zei mijn vrouw. En daar stond ik, keurig aan de kant, een menselijk verkeersobstakel met lichte dissociatie. En altijd komen ze dan, die mensen die zich zuchtend langs je heen persen en dan dat passief-agressieve “sorry hoor” uitspreken wat in vertaling gewoon betekent: pleur eens op met die kar, ouwe.

De kinderkamerafdeling was pure cognitieve overbelasting. Gillende kinderen testten bedden en speelgoed alsof ze een emotioneel parcours aflegden. Twee jongens vochten om een knuffel, een meisje rende krijsend rondjes met een plastic zwaard, en ergens in de verte klonk het monotone gehuil van een peuter die zijn zin niet kreeg. Ouders met holle ogen en zweetplekken bewogen op de automatische piloot, alsof ze in een survivaltraining zaten. Een jongetje sprong van een hoogslaper, een ander kroop in de lade onder een kinderbed en weigerde eruit te komen. Niemand reageerde. Ik dacht alleen: dit is geen woonafdeling, dit is een kinderpsychiatrisch experiment.

Daarna de onvermijdelijke familie-stoet: drie generaties breed, alsof ze een bruiloftsoptocht waren die per ongeluk in de IKEA was beland. Voorop liep oma met een handtas die alles blokkeerde, gevolgd door ouders die zichtbaar murw waren van het leven. Daartussen slenterden tieners die luidruchtig klaagden, selfies maakten met knuffels en elkaar met kussens sloegen alsof ze nog kleuters waren. Hun infantiele gekibbel vulde de gang, terwijl opa achteraan met rollator en chirurgische precisie elk pad definitief afsloot. Inhalen onmogelijk. Mijn kar piepte, mijn brein zoemde, mijn cortisol verdampte.

Daar was het restaurant. Of zoals IKEA het zelf noemt: de Zweedse eetbeleving — alsof je aan een fjord zit met uitzicht op rendieren, in plaats van naast een peuter met een friet in z’n oor.

Het was elf uur, en ramvol. Een kakofonie van dienbladen, kinderwagens en mensen die met plastic vorken hun waardigheid probeerden te bewaren. Het rook er naar gehaktballen, warme saus en wanhoop.

Voor me zat een gezin aan een tafel die meer op een slagveld leek dan op een eetplek. Dienbladen op elkaar gestapeld, overal friet, servetten en gehaktballen die hun beste tijd gehad hadden. De kinderen dompelden knakworsten in hun drinken, alsof ze deelnamen aan een experiment dat zelfs Zweden niet had goedgekeurd. De moeder, zichtbaar murw, keek niet eens meer op en riep: “Eet nou door, we moeten nog bij de gordijnen kijken!” Een zin die de IKEA-sfeer in één klap samenvatte: praktisch, wanhopig en volkomen zonder perspectief.

En daar zat ik dus, midden in het lawaai, met mijn ADHD-hoofd vol aan, het zweet op mijn voorhoofd en de prikkels overal. Lichten, stemmen, muziek, bestek, kindergehuil. Alles kwam tegelijk binnen. Mijn brein draaide op toeren als een server die elk moment kan crashen.

Overal zat men te kauwen, niet uit honger, maar uit gewoonte. Mensen staarden naar elkaar zoals soldaten dat doen in de loopgraven: gelaten, maar solidair in ellende.

En daarboven klonk de intercom, die mijn innerlijke rust definitief torpedeerde: “Attentie, attentie! Kleine Jimmy van drie jaar is zijn papa en mama kwijt. Hij staat bij de kerstversiering op stelling nul.”

Niemand wist waar dat was, maar iedereen keek alsof stelling nul een geheime afgrond was waar je schoonmoeder woont. Stelling nul. Dat klonk als een plek waar je heengaat om nooit meer terug te keren. En eerlijk gezegd: op dat moment klonk dat niet eens zo slecht.

Na het restaurant volgden de woonaccessoires, door IKEA gepresenteerd als “de rustzone.” Ik noem het de afdeling schijnrust. Kaarsen, mandjes, geurstokjes: alles om te suggereren dat je het thuis wél op een rij hebt.

En toen: het hoogtepunt. Een grote man in een vaal trainingspak dat duidelijk al weken in een exclusieve relatie met zijn drager verkeerde. Een lucht van oud zweet en gelatenheid trok door de gang. Ik hield mijn adem in, maar de lucht won. Sommige mensen ruiken niet naar werk of sport. Die ruiken naar berusting.

Daarna het boodschappenlijstje van mijn vrouw. Zo’n uitprintversie van de IKEA-webshop keurig met productcodes, vaknummers en locaties. “Makkelijk hoor, alles staat erop,” zei ze. Ja, alles behalve logica. De coderingen klopten niet, de vakken ook niet. En dus daalde ik af in het zelfbedieningsmagazijn: stelling 2, vak 4, acht hoog, sectie B. Klinkt onschuldig, maar voelt als een psychologische stresstest in plat karton.

Rijen dozen tot aan het plafond, mensen met steekwagentjes murw van het leven. Een man schreeuwde tegen zijn vrouw: “Niet dié doos! De andere!” Ik keek toe en dacht: dit is geen winkel meer. Dit is exposuretherapie voor sociale irritatie.

Bij de kassa’s dacht ik dat ik vrij was. Tot ik achter een vrouw belandde die haar vriendin stond voor te lezen wat een andere vriendin háár had geappt. Een WhatsApp-bericht dat langer duurde dan dit hele verhaal. Met pauzes, zuchtjes, stemverheffingen en uitleg tussendoor. Ongevraagd werd ik getuige van het complete relationele universum van mensen die ik niet kende, maar waar ik nu wél iets van wist. Ik stond daar met mijn kar volgestouwd met mokken, glazen, kerstverlichting en het laatste restje geduld — en voelde hoe mijn hoofd langzaam overschakelde naar vliegmodus.

Eindelijk buiten. Zon op mijn gezicht, zweet in mijn nek, maar vrijheid in mijn longen. Ik keek nog één keer om, zag door het raam een stoffen aapje in een bedje liggen en dacht:

“Dat aapje is de perfecte IKEA-metafoor: nutteloos, maar onuitroeibaar. Het ligt daar te wachten tot iemand het koopt, mee naar huis sleept en na drie weken in een hoek smijt. Net als wij allemaal: verpakt, verkocht, uitgepakt en uiteindelijk vergeten. Alleen dat aapje heeft nog een excuus — het is van pluche. Wij niet.”

Ik stapte in de auto, met een suizend hoofd en een flinke hoofdpijn. Tijd om thuis de wereld even uit te zetten, gordijnen dicht, telefoon uit. Een dutje.
Want na IKEA op zondag is er maar één remedie: jezelf tijdelijk inpakken en terug in de doos kruipen.

En de IKEA… nooit meer op zondag.

Plaats een reactie