Ik lees het coalitieakkoord. Niet vluchtig, niet met de woede van de dag, maar zoals ik vroeger de krant las: rustig, aandachtig, pen in de hand. En hoe verder ik kom, hoe sterker dat gevoel wordt dat me de laatste jaren vaker bekruipt: ze praten over ons, maar niet met ons.
De kiezer heeft gesproken, zo wordt altijd gezegd. Maar wie eerlijk kijkt, ziet iets anders. De kiezer heeft gesproken, ja — alleen is zijn stem ergens blijven hangen tussen spreadsheets, modellen en Brusselse voetnoten. Wat eruit rolt, is beleid dat klopt op papier, maar wringt in het leven.
Ik kom uit een wereld waar werk geen beleidsinstrument is, maar iets wat je lijf doet. Waar je ’s avonds voelt wat je overdag hebt gedaan. Waar verantwoordelijkheid niet wordt gemeten in KPI’s, maar in doorzetten. En precies daar gaat het mis. Want in Den Haag bestaat slijtage nauwelijks meer. Daar heet het restcapaciteit.
Als je lang genoeg hebt getild, gesjouwd, gereden, gezorgd of gebouwd, komt het moment dat je lichaam niet meer meewerkt. Dat is geen zwakte. Dat is de rekening van jaren meedoen. Maar in het beleid wordt dat moment verdacht. Dan “kun je misschien nog iets anders”. Iets lichts. Iets zittends.
Containers ophalen.
Vuilcontainers.
“Dat is toch zittend werk?”
Ja ja.
Dit is de technocratische wreedheid van onze tijd: mensen reduceren tot functies, niet tot levens. Alsof een versleten rug verdwijnt zodra je een andere functietitel opschrijft. Alsof een hart, een hoofd of een lijf zich laat overtuigen door een beleidsregel.
En ondertussen gaat het grote geld naar grote woorden. Klimaat. Stikstof. Europa. Defensie. Begrijp me goed: sommige daarvan zijn noodzakelijk, zelfs onontkoombaar. Maar het schuurt dat er wél miljarden zijn voor abstracte doelen en internationale ambities, terwijl de prijzen voor energie, voedsel, wonen en zorg gewoon blijven stijgen. Dat zijn geen modellen. Dat zijn boodschappenbriefjes.
De zorg wordt efficiënter genoemd, maar voelt krapper. Ouderen wachten langer. Zorgverleners lopen op hun tandvlees. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze niet meer kunnen. Toch trekt niemand een morele grens. Zolang het systeem draait, mag de mens blijkbaar even wachten.
De landbouw wordt “getransformeerd”, heet dat. In de praktijk betekent het dat een sector die generaties lang voedsel leverde, nu vooral als probleem wordt gezien. Subsidies als pleister, dreiging als ondertoon. Wie het niet redt, verdwijnt. Netjes, juridisch correct, maar onherroepelijk.
En dan asiel. Daar stemde een meerderheid voor hardheid, voor grip, voor grenzen. Wat krijgen we? Procedures, kaders en Europese afstemming. Met andere woorden: nauwelijks verandering. Maar de gevolgen blijven wel bestaan en de rekening komt niet daar terecht waar het probleem wordt benoemd, maar bij de sociale zekerheid, bij de zorg, bij mensen die al jaren dragen.
Wat mij misschien nog het meest stoort, is de toon. Die kalme zekerheid waarmee dit alles wordt gepresenteerd. Alsof het logisch is. Onvermijdelijk. Alsof er geen keuzes worden gemaakt. Terwijl dit akkoord één grote keuze is: sterk naar buiten, terughoudend naar binnen.
De staat toont daadkracht richting klimaatdoelen en geopolitiek, maar aarzelt als het gaat om bescherming van zijn eigen burgers. Hard waar het kan. Voorzichtig waar het moet.
En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, komt daar de Haagse werkelijkheid bij: meerderheden zoeken, dealen, schuiven. Voor wat, hoort wat. Beleid wordt geen antwoord op de kiezer, maar een onderhandelingsproduct. En in dat spel winnen nooit de mensen zonder lobby. Niet de bouwvakker. Niet de verzorgende. Niet de boer. Niet de chronisch zieke.
Ik kijk hiernaar en denk niet: dit is ingewikkeld.
Ik denk: dit is losgeraakt.
Niet van links of rechts, maar van de werkelijkheid. Van de bouwplaats. Van het verpleeghuis. Van de keukentafel. Van mensen die geen lobby hebben, maar wel elke dag opstaan.
En dan kom ik bij het einde. Niet omdat alles is gezegd, maar omdat het genoeg is geweest.
Wat hier terugkeert, langzaam maar onmiskenbaar, is iets ouds. Iets waarvan we dachten dat we het achter ons hadden gelaten. Neoliberalisme in zijn herboren vorm, keurig verpakt, rationeel toegelicht, moreel verantwoord. Dankzij D66 en VVD, hand in hand, terug op het pluche.
De markt weet het beter. De burger moet meebewegen.Wie niet kan, moet het uitleggen.
Wie slijt, moet omscholen. Wie achterblijft, heeft vast iets verkeerd gedaan. Het is beleid met een glimlach, maar zonder compassie. Dus ja, laten we het beestje maar bij de naam noemen:
Make Holland Great Again.
Voor wie het redt. Voor wie meekomt. Voor wie past in het model. Ik kijk om me heen en vraag me af: waar blijven de baseballcaps? De slogans? De merchandise? Want de geest is al terug. Alleen de petten ontbreken nog.
En misschien is dat wel het meest zorgelijke.Dat het allemaal zo netjes gaat.
Zo rationeel.
Zo weloverwogen.
Tot je ineens beseft dat je geen burger meer bent, maar een kostenpost.
Geen mens, maar een functie.
Geen leven, maar restcapaciteit.
Wie een land bestuurt alsof het een bedrijf is, moet niet verbaasd zijn als mensen zich uiteindelijk geen inwoner meer voelen — maar afgeschreven personeel.