In de pastorie naast de Petruskerk werd niet alleen gebeden. Dat denken alleen mensen die geloven dat vroeger alles vromer en braver was dan nu. Maar ook hier speelde het leven zich gewoon af met lange dagen, korte nachten en momenten waarop de jas losging.
De pastoor was een man van gezag, maar geen marmeren beeld. Overdag onberispelijk, ’s avonds soms wat losser. Dan werd het stiller in huis. De huishoudster had haar werk gedaan, de kapelaan bleef nog even hangen. Niet uit plicht, maar uit gewoonte. Of gezelschap. Dat woord sprak niemand uit, maar iedereen kende het.
In de voorkamer stond een zware tafel, zonder frutsels. Een karaf degelijke wijn, later een glas cognac. Een dikke sigaar, zorgvuldig aangestoken – zelfs rook was toen een ritueel. De geur trok door het huis, mengde zich met hout, papier en stilte. Zo’n geur die blijft hangen, ook als niemand meer weet waarom.
De kapelaan luisterde meer dan hij sprak. Jonger, scherper misschien, maar nog zoekend. De pastoor vertelde over parochianen, over zorgen die nooit in preken terechtkwamen. Soms werd er gelachen, zacht, bijna schuldbewust. Alles had zijn plaats, zolang het maar binnenskamers bleef.
En dan was er de huishoudster. Zij hoorde alles, zag alles, en zei niets. Ze schonk bij, zette een schaaltje neer, keek soms net iets te lang – of juist helemaal niet. Ze wist wanneer ze moest verdwijnen en wanneer niet. Er werd over haar gefluisterd, vanzelfsprekend. Maar nooit met naam en toenaam. Fatsoen was ook een vorm van zwijgen.
Het dorp wist genoeg om te denken, maar te weinig om te weten. En dat was precies goed. Roddelen is van alle tijden, maar vroeger wist men nog wanneer het moest stoppen. Sommige verhalen mochten blijven zweven, ergens tussen waarheid en verbeelding, als sigarenrook tegen een hoog plafond.
Buiten lag de Kerkstraat er rustig bij. Binnen tikte de klok. Het huis hield alles vast: woorden, blikken, stiltes. Het oordeelde niet. Het noteerde niets. Het stond er alleen maar – betrouwbaar, discreet, met dat steile leien dak dat alles netjes liet aflopen.
Misschien is dat de ware geschiedenis van deze pastorie: niet wat er officieel gebeurde, maar wat er geleefd werd. Met een goed glas, een stevige sigaar, en genoeg beschaving om nooit alles uit te spreken.
